ECLI:NL:HR:2002:AE3819
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitleg sanctie pensioenprijsgeving bij buitenlandse pensioenlichamen
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, had zijn pensioenrechten jegens die BV prijsgegeven, waarbij de BV haar zetel naar de Nederlandse Antillen had verplaatst. De Inspecteur legde een aanslag op naar een belastbaar inkomen van ƒ 502.790, welke werd gehandhaafd na bezwaar. Het hof vernietigde deze uitspraak en stelde de aanslag vast op ƒ 247.660.
De kernvraag was of de sanctie van artikel 11c, lid 1, letter c, Wet op de loonbelasting 1964 ook van toepassing is op het prijsgeven van pensioenaanspraken jegens een pensioenverzekeraar die niet in Nederland is gevestigd, maar op grond van artikel 36 Wet Pro als verzekeraar moet worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat dit het geval was, maar de Hoge Raad verwierp dit.
De Hoge Raad stelde dat de wetsgeschiedenis en de letterlijke tekst van de wet niet met voldoende zekerheid aantonen dat de wetgever de sanctie wilde toepassen op buitenlandse pensioenlichamen. Artikel 11c, lid 1, letter c, verwijst expliciet naar een in Nederland gevestigd lichaam dat de pensioenverplichting tot het binnenlandse ondernemingsvermogen rekent. De overgangsregeling in artikel 36 Wet Pro maakt uitzonderingen mogelijk, maar dit rechtvaardigt geen uitbreiding van de sanctie.
De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en de uitspraak van de Inspecteur, en stelde de aanslag vast op ƒ 11.739. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 11.739.