ECLI:NL:HR:2002:AE4201
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor aanmerkelijke schuld bij dodelijk verkeersongeval door achteruitrijden op kruising
Op 3 juli 1999 reed verdachte met een personenauto op de Steggerdaweg nabij Steggerda. Na het stoppen bij een kruising voerde hij een bijzondere manoeuvre uit door achteruit te rijden op de kruising, waarbij hij een fietser raakte die de weg overstak. Het slachtoffer overleed aan de gevolgen van het ongeval.
Het hof veroordeelde verdachte wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake was van aanmerkelijke schuld door het niet voor laten gaan van de fietser tijdens de bijzondere manoeuvre. Verdachte werd veroordeeld tot 180 uur onbetaalde arbeid en een ontzegging van de rijbevoegdheid.
In cassatie stelde verdachte dat het verwijt onvoldoende ernstig was en dat de fietser mogelijk plotseling en met hoge snelheid de weg was opgereden, waardoor het ongeval niet voorkomen kon worden. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat de bijzondere manoeuvre van achteruitrijden een absolute voorrangsverplichting met zich meebrengt.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof de schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 correct heeft vastgesteld en dat er geen reden was om het arrest te vernietigen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor aanmerkelijke schuld bij het dodelijk verkeersongeval blijft in stand.