ECLI:NL:HR:2002:AE4282
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens intrekking verzoek regeling rechtsgebied
De verdachte diende bij de Rechtbank Utrecht een verzoek in op grond van artikel 526, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, tot regeling van rechtsgebied vanwege vermeende dubbele vervolging door verschillende rechters. De Rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van dit verzoek, omdat zij volgens artikel 54 Wet Pro op de rechterlijke organisatie slechts bevoegd is bij geschillen tussen kantongerechten binnen haar rechtsgebied.
De verdachte stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zou verklaren in het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank het verzoek van de verdachte had moeten aanmerken als een verzoek aan de Hoge Raad zelf, de bevoegde rechter voor regeling van rechtsgebied op grond van artikel 88 (oud) Rechtsorganisatiewet.
Voordat de behandeling van het cassatieberoep plaatsvond, trok de verdachte het cassatieberoep en het verzoekschrift in. Hierdoor verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en besloot het geding af te doen zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking.