ECLI:NL:HR:2002:AE4282

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00251/01 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 526 SvArt. 527 SvArt. 54 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 88 (oud) RO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens intrekking verzoek regeling rechtsgebied

De verdachte diende bij de Rechtbank Utrecht een verzoek in op grond van artikel 526, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, tot regeling van rechtsgebied vanwege vermeende dubbele vervolging door verschillende rechters. De Rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van dit verzoek, omdat zij volgens artikel 54 Wet Pro op de rechterlijke organisatie slechts bevoegd is bij geschillen tussen kantongerechten binnen haar rechtsgebied.

De verdachte stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zou verklaren in het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank het verzoek van de verdachte had moeten aanmerken als een verzoek aan de Hoge Raad zelf, de bevoegde rechter voor regeling van rechtsgebied op grond van artikel 88 (oud) Rechtsorganisatiewet.

Voordat de behandeling van het cassatieberoep plaatsvond, trok de verdachte het cassatieberoep en het verzoekschrift in. Hierdoor verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en besloot het geding af te doen zonder inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking.

Uitspraak

2 april 2002
Strafkamer
nr. 00251/01 B
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 27 april 2000 op een verzoek als bedoeld in art. 526 van Pro het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[verdachte], wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van voormeld verzoek kennis te nemen.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
3. Beoordeling van het ingestelde beroep
3.1.1. In de onderhavige zaak heeft de verdachte op de voet van art. 526, eerste lid, Sv bij de Rechtbank te Utrecht een schriftelijk verzoek ingediend tot regeling van rechtsgebied.
3.1.2. De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van dit verzoek. Haar beschikking houdt dienaangaande het volgende in:
"Verzoeker stelt dat hij voor hetzelfde wordt vervolgd door verschillende rechters. In zijn verzoekschrift noemt hij de arrondissementsrechtbank te Zwolle, de arrondissementsrechtbank te Utrecht, het gerechtshof te Arnhem en de belastingrechter.
Artikel 526, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij het bestaan van een geschil over rechtsmacht bij de bevoegde rechter een verzoek tot regeling van rechtsgebied wordt ingediend.
Op grond van artikel 54 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is de rechtbank slechts bevoegd te oordelen in een jurisdictiegeschil tussen kantongerechten binnen haar rechtsgebied.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank onbevoegd kennis te nemen van het verzoek."
3.1.3. Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op de voet van art. 527, vierde lid, Sv beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking.
3.2. Een verdachte die gebruikmaakt van een hem bij de wet toegekende voorziening, moet in het algemeen worden geacht de volgens de wet openstaande voorziening te hebben willen aanwenden. De stukken van het geding houden niets in waaruit zou kunnen blijken van een omstandigheid op grond waarvan in het onderhavige geval anders zou moeten worden geoordeeld. Daarom had de Rechtbank het door de verdachte ingediende verzoekschrift moeten verstaan als een verzoek aan de Hoge Raad, zijnde op grond van art. 88 (oud) RO de te dezen bevoegde rechter tot regeling van rechtsgebied. Voorts had de Rechtbank moeten bepalen dat de gedingstukken ter behandeling van dat verzoek zouden worden toegezonden aan de Griffier van de Hoge Raad, tenzij dit vóór de behandeling zou worden ingetrokken.
3.3. De behandeling van het cassatieberoep is bepaald op 12 maart 2002. Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 8 maart 2002, dus vóór die behandeling, het tegen de beschikking van de Rechtbank ingestelde cassatieberoep ingetrokken. Daaruit moet worden afgeleid dat de verdachte noch het cassatieberoep noch het verzoekschrift heeft willen handhaven.
3.4. Gelet op het vorenoverwogene kan worden volstaan met de volgende beslissingen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Verstaat dat de verdachte het cassatieberoep tegen de beschikking van de Rechtbank te Utrecht heeft ingetrokken;
Verstaat dat de verdachte het op de voet van art. 526, eerste lid, Sv ingediende verzoek heeft ingetrokken.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2002.