Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AE4473

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWWet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonbelastingheffing bij illegale arbeidsovereenkomst in coffeeshop

Belanghebbende exploiteerde vanaf juni 1994 een coffeeshop te Q, waar hij medewerkers in dienst had met arbeidsovereenkomsten die voldeden aan de materiële voorwaarden van een dienstbetrekking. Hoewel de gemeente de coffeeshop niet gedoogde, gold sinds oktober 1994 een landelijk gedoogbeleid voor softdrugs.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op over 1994, welke na bezwaar en beroep bij het Hof gedeeltelijk werd verminderd. Het Hof oordeelde dat de formele wettigheid van de arbeidsovereenkomst niet doorslaggevend is, maar het karakter van de arbeidsverhouding centraal staat bij loonbelastingheffing.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de arbeidsovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en goede zeden, omdat de werkzaamheden illegaal waren. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat bij nageleefde arbeidsovereenkomsten de fiscale gevolgen, zoals loonbelastingheffing, ook gelden ondanks illegale inhoud.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof dat belanghebbendes medewerkers als werknemers in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 moeten worden beschouwd. Proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat loonbelasting verschuldigd is over arbeid in een illegale coffeeshop indien materiële dienstbetrekking aanwezig is.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 36.905
6 december 2002
JMH
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 2000, nr. 96/02684, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 een naheffings-aanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 14.917.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 13.875.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 6 mei 2002 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot verwijzing van de zaak ten behoeve van feitelijk onderzoek.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende dreef te Q vanaf juni 1994 een onderneming, bestaande uit de verkoop van softdrugs, thee, frisdranken, snoep en dergelijke (hierna: de coffeeshop). Belanghebbende werd bij de exploitatie van de coffeeshop bijgestaan door enkele medewerkers met wie hij overeenkomsten was aangegaan welke voldeden aan de materiële voorwaarden voor het bestaan van een dienstbetrekking in dier voege dat de arbeidsverhouding tussen belanghebbende en diens medewerkers er één was waarbij de desbetreffende medewerkers zich hebben verbonden om in dienst van belanghebbende tegen betaling van loon gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten. De coffeeshop werd door de gemeente Q niet gedoogd, hoewel er sedert medio oktober 1994 een landelijk gedoogbeleid ten aanzien van de handel in softdrugs bestaat op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden niet strafrechtelijk wordt opgetreden tegen coffeeshops (richtlijn van het Ministerie van Justitie nr. 94-304 van 12 oktober 1994, Stcrt. 203).
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat voldaan wordt aan de materiële voorwaarden van de dienstbetrekking, voldoende is om belanghebbendes medewerkers als werknemer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) aan te merken, ongeacht de formele privaat- of publiekrechtelijke wettigheid van de aan de arbeidsverhouding ten grondslag liggende overeenkomst, zulks op de grond dat bij de heffing van loonbelasting centraal staat het karakter van de verhouding op basis waarvan arbeid wordt verricht en niet zozeer de formeel-juridische basis op grond waarvan de werknemer voor zijn werkgever werkzaam is.
3.3. Het middel bestrijdt dit oordeel van het Hof op de grond dat niet zozeer het karakter van de verhouding op basis waarvan arbeid wordt verricht centraal staat, maar, gelet op het feit dat de belastingwetgever aansluiting heeft gezocht bij het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking, de formeel juridische basis. Omdat, aldus het middel, de activiteiten welke belanghebbendes medewerkers in hun arbeidsverhouding verrichten een illegale activiteit vormen, is de overeenkomst tussen belanghebbende en zijn medewerkers nietig op grond van artikel 3:40 BW Pro en ontbreekt de basis voor de heffing van loonbelasting.
3.4. Het is inderdaad zo dat de fiscale wetgever voor het begrip dienstbetrekking niet een eigen fiscaalrechtelijk begrip heeft willen formuleren, maar heeft willen aansluiten bij het civielrechtelijk begrip dienstbetrekking, te weten de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Indien de tussen belanghebbende en zijn medewerkers gesloten arbeidsovereenkomst - het Hof heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat aan de essentialia van een arbeidsovereenkomst was voldaan - door de werkzaamheden waarop die arbeidsovereenkomst betrekking had naar haar inhoud wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde nietig zou zijn, rechtvaardigt dit echter niet de gevolgtrekking dat de medewerkers van belanghebbende van hem geen loon hebben ontvangen in de zin van de Wet. Indien, zoals in het onderhavige geval, een arbeidsovereenkomst is nageleefd als ware het een rechtsgeldige overeenkomst, brengen doel en strekking van de Wet mee dat deze ook jegens de fiscus de daaraan normaal verbonden gevolgen heeft. Het Hof heeft derhalve door belanghebbende inhoudingsplichtig te achten een juist rechtsoordeel gegeven, zodat de daartegen gerichte, in de middelen vervatte klachten falen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2002.