ECLI:NL:HR:2002:AE4663
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid moedervennootschap en pandhouder bij intrekking aansprakelijkheidsverklaring
In deze zaak heeft ING Bank een verzoek ingediend om Akzo Nobel aansprakelijk te houden voor schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen van IndustriePark, ondanks intrekking van de aansprakelijkheidsverklaring. De Rechtbank verklaarde ING niet-ontvankelijk, maar de Ondernemingskamer oordeelde anders en stelde Akzo Nobel in de gelegenheid zekerheid te stellen.
De Hoge Raad heeft de beschikking van de Ondernemingskamer vernietigd en de beslissing van de Rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedervennootschap een eenzijdige rechtshandeling is die geen afhankelijk recht schept en dat de pandhouder niet kan worden beschouwd als schuldeiser in de zin van artikel 2:404 BW Pro.
De Hoge Raad benadrukte dat de aansprakelijkheidsverklaring niet gelijkgesteld kan worden met borgtocht en dat het recht van verzet op grond van artikel 2:404 lid 5 BW Pro alleen toekomt aan de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, wat niet het geval is voor ING als pandhouder.
Daarmee is bevestigd dat de intrekking van de aansprakelijkheidsverklaring Akzo Nobel ontslaat van verdere aansprakelijkheid jegens ING, en dat ING niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De Hoge Raad veroordeelde ING tevens in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart ING niet-ontvankelijk in haar verzoek en bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank Arnhem.