Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AE4722

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36957
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.W. van den Berge
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 241 GemeentewetArt. 43 Wet WOZArt. 25 lid 7 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar onroerendezaakbelastingen in samenhang met WOZ-waarde

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een gecombineerde aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd door de gemeente Haarlemmermeer, gebaseerd op een WOZ-waarde van f 431.000 voor een onroerende zaak te Z. Tegen deze aanslag werd bezwaar gemaakt, maar het hoofd van de afdeling heffingen en invordering verklaarde belanghebbende niet-ontvankelijk. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de niet-ontvankelijkheidsverklaring en bepaalde dat het bezwaar moest worden aangehouden totdat de WOZ-waarde onherroepelijk was vastgesteld.

De gemeente Haarlemmermeer stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad overwoog dat artikel 241 van Pro de Gemeentewet beoogt te voorkomen dat er gescheiden procedures lopen over dezelfde feiten en omstandigheden die relevant zijn voor zowel de WOZ-waarde als de daarop gebaseerde OZB-aanslag. Daarom mag op het bezwaar tegen de OZB-aanslag pas uitspraak worden gedaan nadat de WOZ-waarde onherroepelijk is vastgesteld, tenzij in één geschrift uitspraak kan worden gedaan.

De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de klachten van de gemeente faalden. Er werden geen proceskosten aan de gemeente opgelegd, en het griffierecht werd vastgesteld met verrekening van reeds betaalde bedragen. Het arrest werd op 28 juni 2002 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van de gemeente Haarlemmermeer wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de OZB-aanslag moet worden aangehouden totdat de WOZ-waarde onherroepelijk is vastgesteld.

Uitspraak

Nr. 36.957
28 juni 2002
TVW
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer te Hoofddorp tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 januari 2001, nr. 99/3350, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 wegens het genot krachtens zakelijk recht en wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Haarlemmermeer opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 431.000. In het tegen deze aanslagen gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van het hoofd van de afdeling heffingen en invordering (hierna: het hoofd) niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en verstaan dat verweerder het bezwaar aanhoudt totdat de uitspraak in de procedure 99/3349 ter zake van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking van 28 februari 1997 onherroepelijk is komen vast te staan. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Artikel 241 van Pro de Gemeentewet strekt ertoe te voorkomen dat, ingeval feiten en omstandigheden in het geding zijn die van belang zijn zowel voor de heffing van de onroerendezaakbelastingen als voor de vaststelling van de waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), daarover afzonderlijke procedures bij de belastingrechter worden gevoerd (Kamerstukken II, 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 21 en 22). In overeenstemming met die strekking moet het artikel aldus worden uitgelegd dat ingeval zowel bezwaar is gemaakt tegen een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak als tegen een belastingaanslag in de onroerendezaakbelastingen betreffende die onroerende zaak, waaraan die beschikking ten grondslag ligt, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de op de voet van genoemd hoofdstuk IV gegeven beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.
Hierbij verdient opmerking dat aan artikel 241 van Pro de Gemeentewet geen betekenis toekomt in de gevallen waarin op vorenbedoelde bezwaren in één geschrift uitspraak kan worden gedaan en van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt (vgl. tot 1 september 1999 artikel 43 van Pro de Wet WOZ en vanaf 1 september 1999 artikel 25, lid 7, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). In die gevallen doet de situatie die artikel 241 van Pro de Gemeentewet wil voorkomen - afzonderlijke procedures bij de belastingrechter over dezelfde vraag - zich niet voor.
3.2. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het Hof, na te hebben vastgesteld dat zich hier een geval als bedoeld in artikel 241 van Pro de Gemeentewet voordoet - welke vaststelling in cassatie niet is bestreden -, de uitspraak van het hoofd terecht heeft vernietigd. De daartegen gerichte klachten falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer wordt een griffierecht geheven van € 327. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 327 (€ 142,94), dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen € 184,06.