ECLI:NL:HR:2002:AE4723
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling studiekosten en verblijfkosten in buitenland voor inkomstenbelasting 1994
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar door de Inspecteur werd verminderd tot een belastbaar inkomen van f 70.483. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag verder verminderde tot een belastbaar inkomen van f 66.919. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde of de verblijfkosten in het buitenland ten behoeve van een promotie als studiekosten konden worden aangemerkt. Op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 46, lid 1, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 oordeelde het Hof terecht dat deze verblijfkosten niet tot studiekosten behoren, ongeacht of extra uitgaven voor levensonderhoud inherent zijn aan de opleiding.
Klachten over ongelijke behandeling werden verworpen omdat deze niet reeds bij het Hof aan de orde waren gesteld en cassatie geen plaats biedt voor onderzoek van feitelijke aard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en verblijfkosten in het buitenland voor promotie zijn geen studiekosten.