ECLI:NL:HR:2002:AE5217
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing fictiebepaling aandelen in pensioenlichaam bij successierecht
Belanghebbende kreeg een aanslag successierecht opgelegd naar aanleiding van de verkrijging van aandelen in een vennootschap die pensioenverplichtingen beheerde. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het hof vernietigde de aanslag en uitspraak van de inspecteur omdat het oordeelde dat artikel 13a Successiewet niet van toepassing was in deze situatie.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat artikel 13a alleen geldt indien de aandelen worden gehouden door erfgenamen van degene ten behoeve van wie pensioen is verzekerd. Ook het oordeel dat reeds eerder verkrijgingen niet opnieuw belast mogen worden, wordt verworpen vanwege de regeling in artikel 13a lid 5.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat de fictiebepaling van artikel 13a alleen geldt voor aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam dat voor minstens 90% van haar vermogen pensioenverplichtingen dekt, beoordeeld op het moment van overlijden. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de vennootschap als pensioenlichaam moet worden aangemerkt en heeft niet het juiste tijdstip gehanteerd of toegelicht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze criteria. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd; het verwijzingshof zal bepalen of vergoeding toekomt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.