ECLI:NL:HR:2002:AE5589
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vervolging valsheid in geschrift ondanks overgangsregeling belastingwet
De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens opzettelijk gebruik van een vals aangiftebiljet voor het recht van successie en het meermalen onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete op.
De verdachte stelde in cassatie dat de vervolging niet ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) uitsluit. Tevens voerde hij aan dat de overgangsregeling van de AWR moest wijken voor gunstiger bepalingen in het voordeel van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling van de AWR geen uitzondering bevat voor gunstiger bepalingen en dat het beroep op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) niet tot terugwerkende kracht leidt tenzij de wetgever het inzicht omtrent strafwaardigheid heeft gewijzigd. Omdat het tenlastegelegde feit betrekking had op een tijdvak vóór 1 januari 1998, was vervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Sr terecht.
Het cassatieberoep werd verworpen en de bestreden uitspraak van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en de veroordeling wegens valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte bleef in stand.