ECLI:NL:HR:2002:AE5801
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt procedurele regels omtrent voeging in kort geding omgangsregeling
In deze zaak gaat het om een geschil tussen voormalige echtgenoten over de omgangsregeling met hun minderjarige kinderen, vastgesteld door het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man vorderde in kort geding meerdere keren dat de vrouw uitvoering zou geven aan deze omgangsregeling, waarbij dwangsommen werden opgelegd bij niet-naleving. De vrouw stelde zich hiertegen verweer en stelde in reconventie een wijziging van de regeling voor.
Het Hof wees verzoeken tot voeging van twee kort gedingprocedures af en bekrachtigde het vonnis van de President van de Rechtbank dat grotendeels in het voordeel van de man was. De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste eis had gesteld aan de wijze waarop voeging moest worden verzocht, in strijd met de toepasselijke wetsartikelen 159 en 353 Rv (oud).
Desondanks verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep omdat de vrouw geen belang had bij het middel, nu het hof inhoudelijk op haar grief was ingegaan en deze ongegrond had bevonden. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof waarbij het verzoek tot voeging werd afgewezen en het vonnis van de President van de Rechtbank werd bekrachtigd.