ECLI:NL:HR:2002:AE6377

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37150
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.11 lid 1 Wet milieubeheerArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag afvalstoffenheffing gemeente Noordoostpolder 1997

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd door de gemeente Noordoostpolder. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de chef financiën van de gemeente. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat de aanslag bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht aannam dat afval dat door belanghebbende bij de perceelsgrens werd aangeboden, wel degelijk werd meegenomen door de gemeente. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat cassatie daarop niet slaagt. Verder concludeerde de Hoge Raad dat de gemeente met het ophalen van huishoudelijk afval op ongeveer 10 meter van de perceelsgrens voldoet aan haar wettelijke inzamelverplichting op grond van artikel 10.11 lid 1 van de Wet milieubeheer.

De Hoge Raad stelde ook vast dat het feit dat een besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van afvalaanbiedingsplaatsen onbevoegd was genomen, niet leidt tot onverbindendheid van de Verordening afvalstoffenheffing 1997 en de verschuldigdheid van de belasting niet raakt. Alle klachten faalden en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag afvalstoffenheffing 1997 wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.150
9 augustus 2002
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 april 2001, nr. 97/20911, betreffende na te melden aanslag in de afvalstoffenheffing.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordoostpolder opgelegd ten bedrage van ƒ 406,20, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de chef financiën c.a. van de gemeente Noordoostpolder is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat het afval van degenen die dit, in afwijking van het onbevoegd genomen besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van plaatsen waar het afval moet worden aangeboden, bij de grens van hun perceel hebben aangeboden, wel is meegenomen. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voorzover de klachten dit oordeel bestrijden, kunnen zij derhalve niet tot cassatie leiden.
3.2. Uitgaande van het in 3.1 vermelde oordeel van het Hof kan in ieder geval niet worden gezegd dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar uit artikel 10.11, lid 1, van de Wet milieubeheer (tekst 1997) voortvloeiende verplichting tot het inzamelen van afvalstoffen bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel. Zulks brengt mee dat de klacht tegen 's Hofs oordeel dat een redelijke uitleg van de wet meebrengt dat een gemeente die huishoudelijk afval op ongeveer 10 meter van de perceelsgrens ophaalt, geacht moet worden aan de wettelijke inzamelverplichting te hebben voldaan, niet tot cassatie kan leiden.
3.3. De omstandigheid dat het hiervoor in 3.1 bedoelde besluit onbevoegd is genomen, brengt, zoals het Hof heeft geoordeeld, niet mee dat de Verordening afvalstoffenheffing 1997 onverbindend is. Die omstandigheid raakt derhalve de verschuldigdheid van de belasting niet. Voorzover de klachten van een andere opvatting uitgaan, falen zij mitsdien.
3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002.