Uitspraak
[woonplaats].
15 oktober 2002.
Hoge Raad
De verdachte werd door de Arrondissementsrechtbank Rotterdam veroordeeld voor het meermalen reizen zonder geldig vervoerbewijs, met geldboetes en vervangende hechtenis als straf. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering.
Daarnaast was er een wrakingsverzoek gericht tegen de zittende rechter, dat door de meervoudige kamer ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat en dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de wijze waarop deze beslissing tot stand is gekomen.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het vonnis uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboetes en de duur van de vervangende hechtenis, waarbij de geldboetes werden verminderd tot €49,- en de hechtenis tot één dag. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 15 oktober 2002.
Uitkomst: De geldboetes en vervangende hechtenis werden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het wrakingsverzoek werd ongegrond verklaard.