ECLI:NL:HR:2002:AE7253

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/023HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt alimentatieverplichting na echtscheiding ondanks cassatieberoep

De vrouw verzocht de rechtbank Utrecht om echtscheiding en alimentatie van de man. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en kende alimentatie toe. De man ging in hoger beroep tegen de alimentatieveroordeling en verzocht om een lagere bijdrage tot de verkoop of toewijzing van de voormalige echtelijke woning, en nihil daarna.

De vrouw stelde incidenteel appel in met een hoger alimentatiebedrag en aanvullende lasten voor de man. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover het alimentatiebedrag betrof en bepaalde een maandelijkse uitkering van €1.364 vanaf 23 november 2000, wijzend het overige af.

De man stelde hiertegen cassatieberoep in, dat door de vrouw niet werd beantwoord. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de alimentatieverplichting van €1.364 per maand.

Uitspraak

18 oktober 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/023HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 februari 2000 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht en verzocht tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - echtscheiding uit te spreken en voor zover in cassatie nog van belang de man te veroordelen om aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren ƒ 2.500,-- per maand.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 19 juli 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het alimentatieverzoek van de vrouw toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man wat betreft de veroordeling tot betaling van een alimentatie aan de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft hij verzocht de door hem ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage te bepalen op ƒ 1.000,-- per maand tot het moment waarop de voormalige echtelijke woning zal zijn verkocht dan wel aan hem zal zijn toegescheiden en te bepalen op nihil vanaf het moment dat de woning aan hem zal zijn toegescheiden.
De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld met het verzoek de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage voor de periode totdat de voormalige echtelijke woning is getransporteerd, te bepalen op ƒ 2.998,-- bruto per maand en in dat verband te bepalen dat de man gedurende deze periode naast voormelde uitkering de hypothecaire lasten verband houdende met de woning zal dragen, alsmede de fiscale claim welke het gevolg is van het huurwaarde forfait zal voldoen en te bepalen dat de man voor de periode daarna een uitkering tot levensonderhoud van ƒ 3.996,-- bruto per maand zal betalen.
Bij beschikking van 24 januari 2002 heeft het Hof de bestreden beschikking voor zover nog aan zijn oordeel onderworpen vernietigd, de door de man met ingang van 23 november 2000 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.364,-- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 oktober 2002.