ECLI:NL:HR:2002:AE7637
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid betekening inleidende dagvaarding bij afwezigheid woonadres verdachte
In deze zaak stond centraal of de inleidende dagvaarding aan verdachte rechtsgeldig was betekend, terwijl verdachte ten tijde van de betekening niet was ingeschreven op het adres dat in het strafdossier voorkwam en geen andere woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
Het hof oordeelde dat de betekening geldig was omdat verdachte niet stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het genoemde adres of elders, en dat er geen aanwijzingen waren dat verdachte een andere feitelijke woonplaats had opgegeven. De raadsman van verdachte stelde dat de dagvaarding als gewone brief had moeten worden verzonden naar het bekende adres, maar dit standpunt vond geen steun in de wet.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. Er was geen reden om het onderzoek te schorsen of de dagvaarding nietig te verklaren. Het beroep van verdachte was kennelijk niet gericht tegen de vrijspraak, maar tegen de geldigheid van de dagvaarding. De Hoge Raad vond geen grond om het arrest van het hof te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig was betekend.