ECLI:NL:HR:2002:AE7912

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1351
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • J.W. van den Berge
  • J.C. van Oven
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onteigening zonder milieueffectbeoordeling

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 september 2002 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over een onteigening die door de Gemeente Haarlemmermeer was uitgesproken. De eiser, [eiser], had het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem bestreden, waarin de onteigening van een onroerende zaak was uitgesproken ten behoeve van de aanleg van de [a-straat]. De eiser stelde dat er een milieueffectbeoordeling had moeten plaatsvinden voordat de onteigening werd uitgesproken, omdat dit volgens hem in strijd zou zijn met de Europese Richtlijn 85/337 EEG. De Gemeente Haarlemmermeer, vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Groen, heeft het beroep van de eiser bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de Richtlijn niet tot bescherming van private eigendom strekt, maar tot bescherming van het milieu. De Raad stelde vast dat het milieubelang niet wordt geraakt door de onteigening zelf, maar door de uitvoering van het werk waarvoor de onteigening plaatsvindt. De Hoge Raad concludeerde dat de Nederlandse bestuursrechtelijke procedures voldoende waarborgen bieden voor de naleving van de Richtlijn, en dat de onteigening kon plaatsvinden zonder voorafgaande rechterlijke toetsing over de noodzaak van een milieueffectbeoordeling.

Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het beroep van de eiser en veroordeelt hem in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de Gemeente zijn begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1365 voor salaris. Dit arrest is uitgesproken door de vice-president en de raadsheren in een openbare terechtzitting.

Uitspraak

Nr. 1351
20 september 2002
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
gewezen in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh,
tegen
de gemeente Haarlemmermeer,
zetelende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Geding in feitelijke instantie
Bij vonnis van 6 november 2001, gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [eiser] als gedaagde, heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem ten name van en ten behoeve van de Gemeente vervroegd de onteigening uitgesproken van de in dat vonnis omschreven onroerende zaak. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiser] heeft het vonnis met één middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [eiser] heeft gerepliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 3 mei 2002 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De onderhavige onroerende zaak is bij Koninklijk Besluit aangewezen ter onteigening "ten behoeve van de aanleg van de [a-straat] (...)" (hierna: het werk). Voorafgaand aan het bestreden vonnis heeft ter zake van het werk geen milieueffectbeoordeling plaatsgevonden, noch is de noodzaak daartoe, die door [eiser] is gesteld maar door de Gemeente betwist, door de bestuursrechter beoordeeld.
3.2. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank in het onderhavige geval had moeten toetsen of een milieueffectbeoordeling had moeten plaatsvinden, omdat sprake zou zijn van strijd met de Richtlijn 85/337 EEG indien de onteigening uitgesproken zou worden zonder dat een dergelijke beoordeling zou plaatsvinden. [eiser] leidt dit af uit het arrest van het HvJ EG van 19 september 2000 (NJ 2001, 150; Linster).
3.3. Het middel faalt. De Richtlijn strekt niet tot bescherming van de private eigendom, maar tot bescherming van het milieu. Het milieubelang wordt niet geraakt door een onteigening, maar hoogstens door de uitvoering van het werk waartoe onteigend wordt. Niet in geschil is dat het Nederlandse bestuursrecht erin voorziet dat, desverzocht en voorafgaand aan de uitvoering van het werk, de naleving van de Richtlijn door de bestuursrechter wordt gecontroleerd. In het licht hiervan verzet het Linster-arrest noch de Richtlijn zelf zich ertegen dat de onteigening wordt uitgesproken zonder voorafgaande rechterlijke toetsing of het werk al dan niet MER-plichtig is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep,
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 286,88 aan verschotten, en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, J.C. van Oven, A.R. Leemreis, en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2002.