ECLI:NL:HR:2002:AE8201
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen toestemming echtgenoten vereist voor geldlening, geen borgstelling
In deze zaak vorderde de Bank betaling van een lening en krediet verstrekt aan eiser 1 en eiser 2. Eiser 1 en eiser 2 stelden dat de overeenkomst feitelijk een borgstelling betrof waarvoor de toestemming van hun echtgenoten ontbrak, waardoor de overeenkomst nietig zou zijn.
De Rechtbank wees de vordering van de Bank af, maar het Hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering van de Bank toe. Het Hof oordeelde dat de overeenkomst een geldlening en krediet betrof en niet onder de bescherming van artikel 1:88 BW Pro viel, zodat geen toestemming van de echtgenoten vereist was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Volgens de Hoge Raad is het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW Pro beperkt tot rechtshandelingen die uitdrukkelijk in dat artikel zijn genoemd, waaronder borgstellingen, maar niet geldleningen. De Hoge Raad verwierp het betoog dat de lening feitelijk een borgstelling was, mede vanwege het belang van rechtszekerheid.
De Hoge Raad wees ook het argument af dat de omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand kwam nader onderzocht moesten worden om de strekking vast te stellen. Het arrest bevestigt dat een geldlening niet zonder meer onder het beschermingsbereik van artikel 1:88 BW Pro valt, ook niet als de gelden feitelijk bestemd zijn voor een ander.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser 1 en eiser 2 in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen toestemming van de echtgenoten vereist is voor de geldleningsovereenkomst.