ECLI:NL:HR:2002:AE8371

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1997

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 3.380. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad met meerdere klachten.

Het Hof had geoordeeld dat het aangegeven inkomen geheel bestond uit inkomsten uit dienstbetrekking, die onderworpen zijn aan loonbelasting en premie volksverzekeringen. Daarom vond de invorderingsvrijstelling van artikel 65 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen toepassing, ook al was feitelijk geen loonheffing ingehouden vanwege de loonheffingstabel.

De Hoge Raad oordeelde dat deze interpretatie van artikel 65 van Pro de Wet juist was en dat de waarderingen van feitelijke aard door het Hof in cassatie niet konden worden getoetst. De klachten faalden derhalve. De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1997 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 37.537
4 oktober 2002
S
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 31 juli 2001, nr. BK-00/00676, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 3.380, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het door belanghebbende aangegeven inkomen geheel bestaat uit door belanghebbende ontvangen inkomsten uit dienstbetrekking die naar hun aard zijn onderworpen aan de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen. Uitgaande hiervan heeft het Hof geoordeeld dat onder zodanige omstandigheden de invorderingsvrijstelling als bedoeld in artikel 65 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geen toepassing vindt. Aan dit laatste oordeel doet volgens het Hof niet af dat op het loon van belanghebbende in feite geen loonheffing is ingehouden, nu dat enkel het gevolg is van het toepassen van de op de looninkomsten van toepassing zijnde loonheffingstabel.
3.2. De tegen deze oordelen gerichte klachten falen, omdat deze oordelen geen blijk geven van een onjuiste opvatting van artikel 65 van Pro de Wet en als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie voor het overige niet op hun juistheid kunnen worden getoetst.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2002.