ECLI:NL:HR:2002:AE8461
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en toepasselijkheid procedure art. 28 Waterleidingwet bij lijstprocedure onteigening
Brabant Water heeft een lijstprocedure ingesteld bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch op grond van art. 28 Waterleidingwet Pro, maar deze rechtbank werd door TWM c.s. betwist in haar bevoegdheid. TWM c.s. vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat zij geen eigenaar van een waterleidingbedrijf zijn en dat Brabant Water niet bevoegd is de procedure te voeren.
De rechtbank verklaarde zich deels onbevoegd, waarna het hof dit deels bekrachtigde en deels vernietigde. In cassatie stond centraal de vraag of de regels van het gewone burgerlijk procesrecht, zoals het tijdig beroep op relatieve onbevoegdheid, ook op deze bijzondere lijstprocedure van toepassing zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de lijstprocedure een bijzondere onteigeningsprocedure is met eigen regels en dat niet zonder meer alle bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Met name geldt dat de rechter zich ook zonder tijdig beroep op relatieve onbevoegdheid onbevoegd kan verklaren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van TWM c.s. en bevestigde daarmee de bijzondere aard van de lijstprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren zonder dat een tijdig beroep op relatieve bevoegdheid is vereist. TWM c.s. werden veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechtbank zich onbevoegd kan verklaren zonder tijdig beroep op relatieve bevoegdheid in de lijstprocedure op grond van art. 28 WLW.