ECLI:NL:HR:2002:AE8864

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01859/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 302 SrArt. 365a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen veroordeling voor zware mishandeling en mishandeling

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling en mishandeling, waarbij hij onder meer het slachtoffer aan de haren trok en tegen een been trapte, wat pijn veroorzaakte. De rechtbank had eerder een vonnis gewezen, dat door het hof werd vernietigd.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Het middel betrof met name de bewezenverklaring dat verdachte het slachtoffer tegen een been zou hebben getrapt en/of geschopt. De Hoge Raad oordeelde dat deze bewezenverklaring een kennelijke misslag bevatte en dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat dit daadwerkelijk was gebeurd.

De Hoge Raad herstelde de bewezenverklaring door deze misslag te corrigeren, waarbij de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet werden aangetast. Daarom leidde deze vergissing niet tot vernietiging van het arrest. Omdat er geen andere gronden voor vernietiging waren, werd het cassatieberoep verworpen en bleef de veroordeling in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

26 november 2002
Strafkamer
nr. 01859/01
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 30 mei 2001, nummer 21/002757-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 31 oktober 2000 - de verdachte ter zake van 1. "het medeplegen van zware mishandeling" en 2. "mishandeling" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde voorzover inhoudende dat de verdachte het slachtoffer
tegen een been heeft getrapt en/of geschopt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 5 juni 1999 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [het slachtoffer], aan de haren heeft getrokken en tegen een been heeft getrapt en/of geschopt, waardoor die [slachtoffer] pijn heeft ondervonden."
3.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte het slachtoffer tegen een been heeft getrapt en/of geschopt. De Hoge Raad neemt aan dat het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in zijn geheel, waaronder de onder 1 bewezenverklaarde zware mishandeling ook bezien in het licht van het strafmaximum, niet worden aangetast, behoeft de kennelijke vergissing van het Hof niet tot cassatie te leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 26 november 2002.