ECLI:NL:HR:2002:AE9087
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn niet bewezen
De verdachte werd door het Hof te 's-Gravenhage veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, met een geldboete, hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
Het cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie nalatig was geweest in het informeren over het arrest, waardoor onnodige vertraging was opgetreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de raadsman van de verdachte tijdens de zitting en daarna contact had met de verdachte en dat de raadsman de verdachte naar behoren had geïnformeerd over de uitspraak. Hierdoor kon de vertraging niet aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend.
Het middel faalde en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vond geen reden tot ambtshalve vernietiging van het arrest van het Hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens onvoldoende bewijs van overschrijding van de redelijke termijn.