ECLI:NL:HR:2002:AE9234

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/047HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering pensioenfonds na hoger beroep en enquête

Het geschil betreft een vordering van het pensioenfonds tegen eiser c.s. tot betaling van een bedrag van ƒ 3.100.000, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis na toelating tot bewijslevering en enquête en wees de vordering alsnog toe.

Eiser c.s. stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het eindarrest van het hof. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bestudeerd en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot nadere motivering, mede gelet op artikel 81 RO Pro.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en veroordeelde eiser c.s. in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door een kamer van raadsheren, waarbij het arrest in het openbaar werd uitgesproken op 25 oktober 2002.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest dat de vordering van het pensioenfonds toewijst.

Uitspraak

25 oktober 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/047HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. Ph.W.M. ter Burg,
t e g e n
STICHTING PENSIOENFONDS CSM SUIKER B.V., gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: het Pensioenfonds - heeft bij twee exploiten van 8 januari 1996 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. hoofdelijk, des dat de een be-talende de anderen zullen zijn gekweten, te veroordelen om aan het Pensioenfonds te betalen een bedrag van ƒ 3.100.000,---, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 1995, althans de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van deze procedure, de beslagkosten daaronder begrepen.
[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 1996 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft het Pensioenfonds hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 18 augustus 1998 heeft het Hof het Pensioenfonds tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het Hof bij eindarrest van 15 augustus 2000 het vonnis van de Rechtbank van 11 juli 1996 vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van het Pensioenfonds alsnog toegewezen.
Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Pensioenfonds heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Pensioenfonds begroot op € 4.314,18 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 oktober 2002.