ECLI:NL:HR:2002:AE9396

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/303HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag

In deze zaak vorderde de werknemer bij de Kantonrechter de verklaring dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was en een vergoeding van ƒ 145.000,-- bruto. De Kantonrechter wees de vordering af. De werknemer ging in hoger beroep bij de Rechtbank Amsterdam, die het vonnis van de Kantonrechter vernietigde en de werkgever veroordeelde tot betaling van een vergoeding van ƒ 75.000,-- bruto.

De werkgever stelde beroep in cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand bleef. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde tevens de werkgever in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag definitief vastgesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toekenning van een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Uitspraak

29 november 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/303HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],
3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 6 november 1998 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. het aan [verweerder] gegeven ontslag kennelijk onredelijk te verklaren omdat gelet op de in de dagvaarding vermelde omstandigheden alsmede het feit dat voor hem door [eiser] c.s. geen enkele financiële voorziening is getroffen, de gevolgen van het ontslag voor [verweerder] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [eiser] c.s. bij ontslag;
2. [eiser] c.s. te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen bij wege van vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW Pro een bedrag van ƒ 145.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 21 oktober 1999 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Bij vonnis van 4 juli 2001 heeft de Rechtbank voormeld vonnis van de Kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiser] c.s. veroordeeld om aan [verweerder] een vergoeding van ƒ 75.000,-- bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 1998 tot de voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 942,14 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 november 2002.