ECLI:NL:HR:2002:AE9619
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijs in navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1992
Belanghebbende kreeg voor 1992 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 86.784. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 230.819 en een verhoging van 100% op de nagevorderde belasting. De Inspecteur weigerde kwijtschelding van deze verhoging. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag en het besluit. Het Hof vernietigde dit en matigde de aanslag tot ƒ 226.394 met een 100% verhoging, maar verleende kwijtschelding tot 90% van de verhoging.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, met name dat een tweede reden in een Frans huiszoekingsverzoek niet had mogen worden toegevoegd. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek duidelijk was gericht op het verzamelen van bewijs omtrent het ontvangen bedrag en dat de passage waarover geklaagd werd geen zelfstandige betekenis had. Er was dus geen sprake van onrechtmatig bewijs.
Verder verwierp de Hoge Raad klachten dat het Hof alleen had gekeken naar door de Inspecteur overgelegde stukken, aangezien de waardering van bewijs aan het Hof is voorbehouden. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van het bewijs en de uitspraak van het Hof.