Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AF0100

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/219HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van cassatieberoep in civiele vordering tot betaling en reconventionele vordering

Eiser heeft verweerder gedagvaard voor betaling van een geldbedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Verweerder heeft de vordering betwist en een reconventionele vordering ingesteld. De rechtbank wees de vordering van eiser grotendeels toe en wees de reconventionele vordering af. Beide partijen stelden hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde verweerder tot betaling van een lager bedrag aan eiser, terwijl eiser werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan verweerder.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Verweerder verscheen niet in cassatie, waardoor verstek werd verleend. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen op grond van artikel 81 RO Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

20 december 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/219HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats], Canada,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 1 december 1994 en bij herstelexploit van 21 juni 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en - na vermindering van eis - gevorderd bij vonnis, voor zover wettelijk geoorloofd uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 108.443,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft zich gerefereerd voor wat betreft een bedrag van ƒ 41.068,--, voor het overige de vordering bestreden en van zijn kant in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalende som van ƒ 15.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 1997.
Bij conclusie van repliek in conventie heeft [eiser] zijn vordering verminderd met een bedrag van ƒ 14.733,49 en bij conclusie van antwoord in reconventie heeft hij de reconventionele vordering bestreden.
Bij conclusie van dupliek in conventie heeft [verweerder] geconcludeerd tot referte voor wat betreft het bedrag van de aanslag inkomstenbelasting voorzover dit betrekking heeft op de overbedeelsom van ƒ 405.000,--.
Na een tussenvonnis van 4 maart 1998 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 19 augustus 1998 in conventie [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 71.317,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de Rechtbank de vordering afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [verweerder] zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 6 april 2000 heeft het Hof in het principaal en incidenteel beroep de bestreden vonnissen van de Rechtbank vernietigd, [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 36.689,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1994, [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen ƒ 15.000,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 18 maart 1997, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 december 2002.