ECLI:NL:HR:2002:AF1097

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1360
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.C. van Oven
  • C.J.J. van Maanen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van vonnissen in cassatie betreffende herverkavelingsblokken en schadeloosstelling

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 22 november 2002 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die voortvloeide uit een geschil tussen de Herinrichtingscommissie Oost Groningen en de gemeente Groningen, alsook de Staat der Nederlanden. De Herinrichtingscommissie had een lijst van geldelijke regelingen vastgesteld voor het herverkavelingsblok D in het deelgebied Westerwolde. De gemeente Groningen maakte bezwaar tegen deze lijst, maar de behandeling van dit bezwaar leidde niet tot een oplossing. De zaak werd uiteindelijk doorverwezen naar de Rechtbank, die op 14 december 2001 een vonnis uitsprak.

De Hoge Raad heeft in deze cassatieprocedure de beslissing van de Rechtbank beoordeeld. In het principale beroep heeft de Hoge Raad onderdeel 3 van het vonnis vernietigd, terwijl in het incidentele beroep de onderdelen 1, 2 en 3 van de beslissing van de Rechtbank eveneens zijn vernietigd. De Hoge Raad heeft de kosten van het geding in cassatie gecompenseerd, zodat elke partij de eigen kosten draagt.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink had eerder geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en geoordeeld dat de rechtsgronden voor de bestreden onderdelen van het vonnis ontbraken. Dit arrest is uitgesproken ter openbare terechtzitting, waarbij de vice-president en de raadsheren aanwezig waren.

Uitspraak

Nr. 1360
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
22 november 2002
AB
Arrest
in de zaak van:
de Herinrichtingscommissie Oost Groningen en de Gronings-Drentse veenkoloniën (deelgebied Westerwolde blok D),
waarvan de zetel is gevestigd te Groningen,
eiseres tot cassatie,
verweerster in het incidentele beroep,
advocaat: mr. H.A. Groen
tegen:
1. de gemeente Groningen,
waarvan de zetel is gevestigd te Groningen,
verweerster in het principale beroep,
niet verschenen;
en
2. de Staat der Nederlanden,
waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerder in het principale beroep,
eiser in het incidentele beroep,
advocaat: mr. G.J.H. Houtzagers
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. Eiseres in het principale cassatieberoep (hierna: de Herinrichtingscommissie) heeft de lijst der geldelijke regelingen vastgesteld inzake het herverkavelingsblok D (Ter Apel) van het deelgebied Westerwolde.
1.2. Verweerster sub 1 in het principale cassatieberoep hierna: de Gemeente) heeft op 5 juli 2000 bij de Herinrichtingscommissie bezwaar gemaakt tegen deze lijst. Behandeling van dit bezwaar door de deelgebiedcommissie heeft niet tot een oplossing geleid; behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris evenmin. Daarop heeft de rechter-commissaris de zaak verwezen naar de terechtzitting van de Rechtbank.
1.3. De beslissing van het thans bestreden vonnis, uitgesproken op 14 december 2001, luidt als volgt:
De Rechtbank:
1. gebiedt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de rentevoet voor het bepalen van de aan de Gemeente uit te keren schadeloosstelling in verband met het opheffen van de stadsmeierrechten vast te stellen vóór 16 februari 2002;
2. bepaalt voor het geval daaraan niet wordt voldaan dat deze minister een dwangsom aan de Gemeente verbeurt van f. 100.000,-- voor iedere dag of deel daarvan dat aan dit gebod niet wordt voldaan, met een maximum van f. 26.000.000,--;
3. verstaat dat genoemde minister het nodige zal verrichten om te komen tot het betalen aan de Gemeente van een voorschot van f. 28.000.000,-- zulks uiterlijk op 31 december 2001;
4. houdt de zaak aan voor verdere behandeling (....).
2. Geding in cassatie
2.1. Na op 28 december 2001 ter griffie van de Rechtbank verklaard te hebben cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van 14 december 2001, heeft de Herinrichtingscommissie op 8 februari 2002 de Gemeente, alsmede verweerder sub 2 in het principale cassatieberoep (hierna: de Staat) doen dagvaarden om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad. Eén van beide exploiten is aan dit arrest gehecht.
2.2. De Gemeente is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
2.3. De Staat heeft in het principale beroep geconcludeerd tot referte, en zijnerzijds incidenteel cassatieberoep ingesteld. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
2.4. De Herinrichtingscommissie en de Staat hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.
2.5. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 12 juli 2002 zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.
3.Beoordeling van het principale beroep
Het middel strekt ten betoge dat het recht geen grondslag biedt voor onderdeel 3 van de beslissing van de Rechtbank. Het middel slaagt. Voorzover in cassatie bestreden dient het vonnis vernietigd te worden.
4. Beoordeling van het incidentele beroep
Het middel strekt ten betoge dat het recht geen grondslag biedt voor de onderdelen 1, 2 en 3 van de beslissing van de Rechtbank. Het middel slaagt. Voorzover in cassatie bestreden dient het vonnis vernietigd te worden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt onderdeel 3 van de beslissing van het vonnis waarvan beroep;
in het incidentele beroep:
vernietigt de onderdelen 1, 2 en 3 van de beslissing van het vonnis waarvan beroep;
in het principale en in het incidentele beroep:
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2002.