ECLI:NL:HR:2002:ZC8134
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-rentedragendheid van heffingsrente na uitstel betaling inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 14.656. Tegen deze aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de inspecteur werd afgewezen. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de aanslag bevestigde.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Kern van het geschil was of de heffingsrente die bij de aanslag in rekening was gebracht, rentedragend werd nadat uitstel van betaling was verleend wegens het tijdig aangewende rechtsmiddel. Het Hof had dit ontkennend beantwoord.
De Hoge Raad overwoog dat het rentedragend worden van een vordering pas aan de orde is wanneer de vordering vaststaat. Omdat de heffingsrente nog niet vaststond op het moment van het uitstel van betaling, werd deze niet rentedragend in de zin van artikel 38, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De klachten van belanghebbende faalden derhalve en het beroep werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de heffingsrente niet rentedragend is geworden na uitstel van betaling.