ECLI:NL:HR:2002:ZC8134

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2002
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
35985
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.W. van den Berge
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Invorderingswet 1990Art. 2 lid 3 Invorderingswet 1990Art. 9 lid 1 Invorderingswet 1990Art. 33 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 38 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-rentedragendheid van heffingsrente na uitstel betaling inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 14.656. Tegen deze aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de inspecteur werd afgewezen. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de aanslag bevestigde.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Kern van het geschil was of de heffingsrente die bij de aanslag in rekening was gebracht, rentedragend werd nadat uitstel van betaling was verleend wegens het tijdig aangewende rechtsmiddel. Het Hof had dit ontkennend beantwoord.

De Hoge Raad overwoog dat het rentedragend worden van een vordering pas aan de orde is wanneer de vordering vaststaat. Omdat de heffingsrente nog niet vaststond op het moment van het uitstel van betaling, werd deze niet rentedragend in de zin van artikel 38, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De klachten van belanghebbende faalden derhalve en het beroep werd ongegrond verklaard.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de heffingsrente niet rentedragend is geworden na uitstel van betaling.

Uitspraak

nr. 35.985
1 februari 2002
JV
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 januari 2000, nr. 97/0818, betreffende na te melden aanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 14.656, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 11 april 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 met dagtekening 31 juli 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is hem heffingsrente in rekening gebracht. In verband met de omstandigheid dat belanghebbende tegen die aanslag tijdig een rechtsmiddel had aangewend, heeft hij in het onderhavige jaar (1993) uitstel van betaling genoten voor deze aanslag en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende ter zake van de aanslag en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente geen betalingen gedaan.
3.2. Op grond van artikel 28 in Pro verbinding met artikel 2, lid 3, van de Invorderingswet 1990 (tekst 1993) wordt aan de belastingschuldige bij overschrijding van de ingevolge artikel 9, lid 1, van die wet geldende betalingstermijn van twee maanden invorderingsrente in rekening gebracht over (onder meer) de in rekening gebrachte heffingsrente. Het gaat hier om de vraag of zulks meebrengt dat, nadat uitstel van betaling was verleend, de aan belanghebbende bij de aanslag in rekening gebrachte heffingsrente rentedragend is geworden, als bedoeld in artikel 38, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Tegen dit oordeel zijn de klachten gericht.
3.3. Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Met het 'rentedragend zijn geworden' van inkomsten heeft artikel 33, lid 1, van de Wet het oog op het geval dat een liquide vordering onder genot van rente door de tot die vordering gerechtigde blijft uitstaan (vgl. HR 29 maart 1944, B. 7821, en HR 1 juni 1977, nr. 18209, BNB 1977/167). Hetzelfde geldt voor het 'rentedragend zijn geworden' van kosten in de zin van artikel 38, lid 1, van de Wet. Zolang een vordering niet vaststaat, staat het verschuldigd zijn of zullen worden van rente over die vordering evenmin vast en kan reeds om die reden niet van het rentedragend zijn van die vordering worden gesproken (vgl. HR 29 maart 1944, B. 7821).
3.4. In het onderhavige geval stond, doordat belanghebbende tijdig een rechtsmiddel tegen de aanslag had aangewend, de heffingsrente ten tijde van het verlenen van uitstel van betaling nog niet vast. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat de aan belanghebbende bij de aanslag in rekening gebrachte heffingsrente niet rentedragend is geworden in de zin van artikel 38, lid 1, van de Wet, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden. De klachten kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné,
P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier
A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2002.