ECLI:NL:HR:2003:AA4725
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij arbeid op continentaal plat volgens EEX-verdrag en WAMN
De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een ex-werknemer en zijn werkgever UOS, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, over de vraag welke rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De werknemer verrichtte arbeid op vaste en drijvende installaties op het Nederlandse en andere delen van het continentaal plat in de Noordzee.
De kantonrechter verklaarde zich bevoegd op grond van de Wet arbeid mijnbouw Noordzee (WAMN), maar de rechtbank stelde de kantonrechter onbevoegd. De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank ambtshalve de bevoegdheid op grond van het EEX-verdrag had moeten toetsen, omdat dit verdrag dwingend en uitputtend is voor grensoverschrijdende bevoegdheidsvraagstukken.
De Hoge Raad legde prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) over de uitleg van art. 5 sub Pro 1 EEX betreffende de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het HvJEG oordeelde dat arbeid op vaste of drijvende installaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat als arbeid op Nederlands grondgebied moet worden beschouwd, en dat de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht wordt bepaald door het grootste deel van de arbeidstijd over de gehele arbeidsduur.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor nader feitelijk onderzoek naar waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeid heeft verricht en of het geschil nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats. Tevens werd UOS veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het Gerechtshof Amsterdam.