ECLI:NL:HR:2003:AF1794

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/114HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot echtscheiding en vaststelling levensonderhoud afgewezen in cassatie

De man verzocht bij de rechtbank te 's-Gravenhage om echtscheiding van tafel en bed en de vrouw verzocht om een levensonderhoudsuitkering van ƒ 5.000 netto per maand, subsidiair ƒ 7.500 bruto. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en veroordeelde de man tot betaling van ƒ 5.000 per maand alimentatie.

De man ging in hoger beroep tegen deze beschikking, evenals de vrouw incidenteel. Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de alimentatie betrof en stelde de alimentatie vast op ƒ 3.300 per maand voor de periode 1 juni 2000 tot 1 september 2000. De overige vorderingen werden afgewezen.

De man stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De vrouw diende geen verweerschrift in. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest waarin de alimentatie is vastgesteld op ƒ 3.300 per maand.

Uitspraak

31 januari 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/114HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw], blijkens een verklaring van de Nederlandse Ambassade te Lissabon, Portugal, ook geheten: [...], wonende te [woonplaats], Cyprus,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 24 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken.
De vrouw heeft zich ten aanzien van de verzochte echtscheiding gerefereerd en, voor zover in cassatie van belang, zelfstandig verzocht ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud vast te stellen van ƒ 5.000,-- netto, subsidiair ƒ 7.500,-- bruto per maand.
De man heeft het verzoek van de vrouw bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 6 november 1998 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de behandeling ten aanzien van de door de vrouw verzochte uitkering tot levensonderhoud aangehouden. Na een tweede beschikking van 23 april 1999 heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 19 mei 2000 de man veroordeeld om met ingang van 1 juni 2000 aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 5.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 25 juli 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen en, opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie voor de periode van 1 juni 2000 tot 1 september 2000 bepaald op ƒ 3.300,-- per maand. Het in principaal en incidenteel hoger beroep meer of anders verzochte heeft het Hof afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 31 januari 2003.