ECLI:NL:HR:2003:AF1906
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat overdracht van zelfstandig ondernemingsonderdeel vereist is voor fiscale faciliteiten bij winstbepaling
Belanghebbende, X Limited, verzocht in 1998 om het buiten aanmerking laten van winst op grond van artikel 14 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat sprake was van overdracht van een zelfstandig onderdeel van een onderneming.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat artikel 14 lid 4 Wet Pro Vpb moet worden uitgelegd in het licht van richtlijn 90/434/EEG. Volgens deze richtlijn moet sprake zijn van een 'tak van bedrijvigheid', gedefinieerd als een geheel van activa en passiva dat zelfstandig kan functioneren. Het Hof heeft geoordeeld dat de activiteiten van belanghebbende in Nederland in verregaande mate waren beëindigd en dat het overgedragen geheel niet zelfstandig kon functioneren.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en dat een richtlijnconforme uitleg van artikel 14 van Pro de Wet Vpb meebrengt dat de fiscale faciliteiten niet van toepassing zijn indien geen zelfstandig ondernemingsonderdeel wordt overgedragen. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X Limited wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 14 Wet Vpb.