ECLI:NL:HR:2003:AF3000
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen ondernemerschap voor werkzaamheden in omzetbelasting
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode van 1 september 1995 tot en met 31 december 1998. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kernvraag was of belanghebbende als ondernemer kon worden aangemerkt volgens artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende zelfstandigheid bezat, onder meer vanwege het hebben van slechts één opdrachtgever en het ontbreken van ondernemersrisico.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en vond dat het niet onbegrijpelijk was dat het Hof geen ondernemerschap aannam. Er was sprake van een verhouding van ondergeschiktheid en onvoldoende economische zelfstandigheid. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat belanghebbende geen ondernemer is, blijft gehandhaafd.