ECLI:NL:HR:2003:AF3308
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen uitlevering wegens medeplichtigheid voorbereiding medeplegen moord
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam die de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Spanje deels toelaatbaar heeft verklaard op grond van medeplichtigheid aan voorbereiding van medeplegen moord. De opgeëiste persoon ontkende de feiten en voerde onder meer aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld is en dat het handelen niet strafbaar is in Nederland.
De verdediging stelde tevens dat verklaringen van medeverdachten onder foltering zijn verkregen, waardoor uitlevering een schending van art. 6 EVRM Pro en het Verdrag tegen Foltering zou opleveren. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de Spaanse rechter en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens adequate rechtsmiddelen bieden.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er een redelijk vermoeden van schuld bestaat en dat het verweer omtrent onschuld niet tot een ander oordeel leidt. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van dubbele strafbaarheid niet aannemelijk is en dat de klachten omtrent schending van art. 6 EVRM Pro onvoldoende zijn onderbouwd. Het beroep in cassatie wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering wegens medeplichtigheid aan voorbereiding van medeplegen moord.