ECLI:NL:HR:2003:AF3423
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid lijfrenteovereenkomst na verkoop melkveehoudersbedrijf
Belanghebbende, die in 1995 een gemengd landbouwbedrijf dreef, tekende een intentieverklaring voor de oprichting van een BV die vanaf 1 juli 1995 de onderneming zou voortzetten. Het melkveehoudersbedrijf werd echter in november/december 1995 aan een derde verkocht, waarna belanghebbende stakingswinst behaalde. Vervolgens sloot hij een lijfrenteovereenkomst met de BV in oprichting.
Het geschil betrof de vraag of de tegenprestatie van de lijfrenteovereenkomst kon worden aangemerkt als een aftrekbare persoonlijke verplichting op grond van artikel 45, lid 5, aanhef en letter a, sub 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof oordeelde dat geen sprake was van overdracht van het melkveehoudersbedrijf aan de BV.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het melkveehoudersbedrijf niet aan de BV was overgedragen, zodat de lijfrenteovereenkomst niet tot aftrekbare persoonlijke verplichtingen behoort. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de lijfrenteovereenkomst niet aftrekbaar is.