ECLI:NL:HR:2003:AF3638
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vordering tegen Staat wegens onjuiste dagvaarding Ontvanger
Verweerder vorderde van de Staat betaling van een bedrag dat volgens hem ten onrechte was verrekend met een belastingschuld. De Staat stelde primair dat de vordering niet-ontvankelijk was omdat de dagvaarding niet tegen de juiste partij, namelijk de Ontvanger, was gericht. De Kantonrechter wees de vordering af, maar stelde dat dagvaarding van de Staat niet tot niet-ontvankelijkheid leidde. De Rechtbank bekrachtigde dit vonnis.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat op grond van artikel 3 lid 3 van Pro de Invorderingswet 1990 vorderingen die voortvloeien uit de taakuitoefening van de ontvanger uitsluitend tegen de ontvanger kunnen worden ingesteld. De memorie van toelichting bevestigt dat alleen de ontvanger in rechte kan optreden en gedagvaard kan worden in dergelijke geschillen.
De Hoge Raad vernietigde daarom de vonnissen van de Rechtbank en Kantonrechter en verklaarde verweerder niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen de Staat. Tevens werd verweerder veroordeeld in de kosten van het geding bij de Kantonrechter en in hoger beroep, terwijl in cassatie iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Verweerder wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering niet tegen de juiste partij, de Ontvanger, was ingesteld.