Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AF3653

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering van verplichting zonder rekening te houden met voornemen crediteur

In deze zaak betrof het een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1993 opgelegd aan belanghebbende. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag aanzienlijk.

De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Kern van het geschil was de waardering van een verplichting waarbij het Hof oordeelde dat geen rekening gehouden mocht worden met het voornemen van de crediteur om af te zien van zijn rechten. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat alleen wanneer vaststaat of zo goed als zeker is dat de schuld niet of niet volledig hoeft te worden voldaan, een lagere waardering gerechtvaardigd is.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het arrest van het Hof bekrachtigd en bleef de aanslag verminderd tot het lagere belastbare bedrag in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bekrachtigd.

Uitspraak

Nr. 37.447
31 januari 2003
AF
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 juli 2001, nr. 97/20781, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (België) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.673.157, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 257.560. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
Het Hof heeft geoordeeld dat bij de waardering van een verplichting in beginsel geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de crediteur voornemens is af te zien van de uitoefening van zijn rechten en dat er geen reden is in dit geval daarvan af te wijken. Dit oordeel is juist, aangezien slechts zodra vaststaat of zo goed als zeker is dat de schuldenaar de schuld niet of niet volledig behoeft te voldoen, aanleiding bestaat die schuld op een lager bedrag te waarderen dan de nominale waarde ervan. Dat is niet het geval zolang nog slechts sprake is van een voornemen bij de crediteur. De middelen falen derhalve.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.