Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AF4207

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01105/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 SvArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij hij was veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf voor moord en doodslag. De verdachte stelde middelen van cassatie in nadat hem de aanzegging was gedaan, maar deed dit niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet naleven van deze termijn betekende dat de verdachte niet-ontvankelijk was in zijn beroep. Daarnaast werd vastgesteld dat de wet geen voorziening bevat voor het instellen van cassatieberoep door benadeelde partijen indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep instellen of ontvankelijk zijn. Hierdoor moesten de schrifturen van de benadeelde partijen onbesproken blijven.

Het arrest bevestigt het belang van strikte naleving van procesrechtelijke termijnen in cassatieprocedures en verduidelijkt de positie van benadeelde partijen in het cassatieproces. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en liet de middelen van de benadeelde partijen buiten beschouwing.

Uitkomst: De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van de middelen.

Uitspraak

25 maart 2003
Strafkamer
nr. 01105/02
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juli 2001, nummer 23/002914-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats], ten tijde van bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht" te Nieuwegein.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 11 september 2000 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "moord" en 2. "doodslag" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van ƒ 7.500,--, en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en heeft het Hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft mr. D. Koningsbloem, advocaat te Utrecht, bij schrifturen telkens een middel van cassatie voorgesteld.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep en dat de namens de benadeelde partijen ingediende middelen buiten beschouwing moeten blijven.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte - nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering hem op 24 mei 2002 in persoon was gedaan - eerst op 14 februari 2003, dus niet binnen de bij de wet gestelde termijn van twee maanden bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beoordeling van de schrifturen van de benadeelde partijen
4.1. Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie appèl heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 26 februari 2002, LJN AD7011, NJB 2002, blz. 769). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.
Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij.
4.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat de namens de benadeelde partijen ingediende schrifturen onbesproken moeten blijven.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 maart 2003.