ECLI:NL:HR:2003:AF4520
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en zelfstandigheid van recreatieparkpercelen bij ondererfpacht
Belanghebbende heeft het eeuwigdurend recht van erfpacht met opstalrecht van een recreatiepark bestaande uit 59 percelen, waarvan 56 percelen met vakantiewoningen zijn uitgegeven in ondererfpacht. De ondererfpachters hebben exclusief gebruiksrecht van hun percelen en mede gebruiksrecht van voorzieningen op het terrein.
De waarde van het terrein werd vastgesteld op ƒ 2.711.000, maar na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze verlaagd naar ƒ 2.431.804 per 1 januari 1998. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat het terrein en de recreatiewoningen, gezien de verschillende beperkte rechten en het exclusieve gebruiksrecht van ondererfpachters, niet samen één WOZ-object kunnen vormen volgens artikel 16 van Pro de Wet WOZ. Tevens wijst de Hoge Raad het beroep af dat de waarde van het terrein aan de recreatiewoningen zou moeten worden toegerekend, omdat de Wet WOZ dit niet toestaat, ook niet bij medegebruik.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat terrein en recreatiewoningen afzonderlijke WOZ-objecten zijn zonder waarde-toerekening.