ECLI:NL:HR:2003:AF5110

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37727
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingenArtikel 81 Wet op de rechterlijke organisatieBesluit van 5 juli 1996, BNB 1996/294
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1996 wegens onjuiste WOZ-waarde

In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 85.134. Vervolgens is een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 89.334, welke na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd.

Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat de navorderingsaanslag en de uitspraak van de inspecteur vernietigde. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft vastgesteld dat de WOZ-waarde van de woning ten tijde van de aangifte nog niet bekend was en dat toepassing van het Besluit van 5 juli 1996 vereist dat de belastingplichtige te kwader trouw de waarde van de woning te laag in de aangifte heeft opgenomen. De klacht van de Staatssecretaris dat het moment van ontvangst van het aanslagbiljet bepalend zou zijn, wordt verworpen.

De overige klachten worden niet nader gemotiveerd afgewezen omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.

Uitspraak

Nr. 37.727
28 februari 2003
SD
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 september 2001, nr. BK-99/01476, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.134.
Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 89.334, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte nog niet bekend was. De toelichting op het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof heeft miskend dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijkt dat voor de beoordeling of belanghebbende wist of behoorde te weten dat te weinig belasting werd betaald uiterlijk het moment van ontvangst van het aanslagbiljet geldt en niet, zoals het Hof heeft geoordeeld, het moment waarop aangifte werd gedaan.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat het in de onderhavige zaak gaat om toepassing van het Besluit van 5 juli 1996, BNB 1996/294, waarin is bepaald dat de inspecteur aanleiding zal kunnen vinden na te vorderen in gevallen waarin een belastingplichtige te kwader trouw de waarde van een woning tot een veel te laag bedrag "in zijn aangifte heeft opgenomen".
3.2. De overige in het middel vervatte klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 37726 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 644, derhalve € 322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.