ECLI:NL:HR:2003:AF5113

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37757
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.W. van den Berge
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25b Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardering blooteigendom en vruchtgebruik voor inkomstenbelasting 1996

Belanghebbende verkreeg in 1981 samen met zijn broers en zuster de blooteigendom van een onroerende zaak, waarop tegelijkertijd een recht van vruchtgebruik werd gevestigd ten behoeve van een stichting, eindigend bij het overlijden van een familielid. Voor de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 werd het belastbaar inkomen vastgesteld op ƒ 283.563, welke aanslag na bezwaar werd gehandhaafd.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Het geschil betrof de waardering van de blooteigendom per 1 januari 1996, waarbij het Hof de samengestelde-interestmethode toepaste om het voordeel door het verstrijken van het vruchtgebruik te bepalen.

In cassatie betoogde belanghebbende dat deze methode onjuist was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht de samengestelde-interestmethode hanteerde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de samengestelde-interestmethode voor waardering wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.757
28 februari 2003
SE
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 oktober 2001, nr. BK-00/01717, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 283.563, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 27 november 1981 tezamen met zijn twee broers en zijn zuster de blooteigendom verkregen van een onroerende zaak. Op dezelfde dag is op de onroerende zaak een recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van een stichting, welk vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van een familielid van belanghebbende. Ten tijde van de vestiging van het recht van vruchtgebruik was de statistische levensverwachting van dat familielid twintig jaar en vier maanden.
3.2. Voor het Hof was in geschil de hoogte van het bedrag dat op grond van artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als inkomsten uit vermogen in aanmerking moet worden genomen. Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde van de blooteigendom van de onroerende zaak per 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het voordeel dat bij belanghebbende is opgekomen ten gevolge van het verstrijken van de periode van het recht van vruchtgebruik tot 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode. Tegen dit oordeel keert zich het middel tevergeefs, aangezien dit oordeel juist is.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2003.