ECLI:NL:HR:2003:AF5113
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering blooteigendom en vruchtgebruik voor inkomstenbelasting 1996
Belanghebbende verkreeg in 1981 samen met zijn broers en zuster de blooteigendom van een onroerende zaak, waarop tegelijkertijd een recht van vruchtgebruik werd gevestigd ten behoeve van een stichting, eindigend bij het overlijden van een familielid. Voor de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 werd het belastbaar inkomen vastgesteld op ƒ 283.563, welke aanslag na bezwaar werd gehandhaafd.
Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Het geschil betrof de waardering van de blooteigendom per 1 januari 1996, waarbij het Hof de samengestelde-interestmethode toepaste om het voordeel door het verstrijken van het vruchtgebruik te bepalen.
In cassatie betoogde belanghebbende dat deze methode onjuist was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht de samengestelde-interestmethode hanteerde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de samengestelde-interestmethode voor waardering wordt bevestigd.