ECLI:NL:HR:2003:AF5250

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02458/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in wederspannigheidszaak

De zaak betreft een herzieningsverzoek van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 1993, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor wederspannigheid. Eerdere herzieningsverzoeken waren reeds niet-ontvankelijk verklaard. In deze procedure beoordeelt de Hoge Raad opnieuw het verzoek.

De Hoge Raad stelt vast dat de aangevoerde gronden reeds in eerdere beslissingen ongenoegzaam zijn geoordeeld en dat de nieuwe omstandigheden niet leiden tot een ernstig vermoeden zoals vereist volgens artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan het verzoek niet worden ontvangen.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere beslissingen en verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk. De oorspronkelijke veroordeling tot een geldboete wegens wederspannigheid blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest blijft in stand.

Uitspraak

31 januari 2006
Strafkamer
nr. 02458/05 H
IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 februari 1993, nummer 22/000901-92, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 17 juni 1991 - de aanvrager ter zake van "wederspannigheid" veroordeeld tot een geldboete van zevenhonderdvijftig gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
Bij beschikkingen van de Hoge Raad van 17 januari 1995, nr. 4860 Herz. en 7 oktober 1997, nr. 5076 Herz., zijn eerdere aanvragen tot herziening van het arrest van het Hof niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover de aanvrage steunt op gronden die in deze beslissingen ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen.
Voor het overige kan hetgeen in de aanvrage is aangevoerd niet worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden welke een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat zij ook in zoverre niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 31 januari 2006.