ECLI:NL:HR:2003:AF5365

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38055
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheer
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verplichting gemeente tot inzameling huishoudelijke afvalstoffen ondanks industriële bestemming perceel

Belanghebbende kreeg voor 1999 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd door de gemeente Zaanstad, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

Belanghebbende voerde aan dat zijn perceel een industriële bestemming had, waardoor de gemeente niet verplicht zou zijn tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het Hof stelde vast dat belanghebbende deze stelling niet heeft laten vallen tijdens de zitting, maar oordeelde dat ondanks de industriële bestemming het perceel feitelijk een woning is waar huishoudelijk afval ontstaat.

De Hoge Raad oordeelde dat de industriële bestemming niet afdoet aan de verplichting van de gemeente tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag afvalstoffenheffing blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 38.055
7 maart 2003
cl
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 oktober 2001, nr. 00/3377, betreffende na te melden aanslag in de afvalstoffenheffing.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Zaanstad opgelegd ten bedrage van ƒ 442,20, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In zijn beroepschrift en conclusie van repliek voor het Hof heeft belanghebbende met een beroep op de industriële bestemming van zijn perceel bestreden dat de gemeente Zaanstad met betrekking tot zijn perceel verplicht was tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Uit 's Hofs uitspraak en het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat belanghebbende dat standpunt ter zitting heeft laten vallen. De klacht tegen 's Hofs vaststelling dat door belanghebbende niet is betwist dat de gemeente verplicht was tot zodanige dienstverlening, is derhalve gegrond.
3.2. Niettemin kan de klacht niet tot cassatie leiden. Een industriële bestemming van belanghebbendes perceel staat niet in de weg aan de onder 3.1 bedoelde verplichting van de gemeente, aangezien die bestemming er niet aan afdoet dat in het onderhavige perceel, dat volgens 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling een woning is, geregeld huishoudelijke afvalstoffen konden ontstaan.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2003.