ECLI:NL:HR:2003:AF5430

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03462/00 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 468 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van aanvraag tot herziening wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een definitief vonnis van de Politierechter te Amsterdam, waarbij de aanvrager was veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens diefstal. De aanvraag werd ingediend op grond van de stelling dat niet de aanvrager, maar een ander het bewezenverklaarde feit had gepleegd en dat deze persoon bij zijn aanhouding de personalia van de aanvrager had opgegeven.

Ter onderbouwing werd onder meer een proces-verbaal overgelegd waarin aangifte werd gedaan van valselijk gebruik van persoonsgegevens en handtekening door een derde. Naar aanleiding van de aanvraag werd een onderzoek ingesteld door het Openbaar Ministerie, waarbij onder meer pogingen werden gedaan om de aanvrager te laten verschijnen voor een vergelijking met de destijds aangehouden persoon.

De resultaten van het onderzoek toonden aan dat de aanvrager voldoende gelegenheid had gehad om zijn stellingen te onderbouwen, maar hieraan geen gevolg gaf. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om het ernstige vermoeden te wekken dat, indien deze bekend waren geweest tijdens het oorspronkelijke onderzoek, dit tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid.

Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen conform artikel 468 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 1 april 2003.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende bewijs voor persoonsverwisseling.

Uitspraak

1 april 2003
Strafkamer
nr. 03462/00 H
IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 oktober 1999, nummer 13/061762-99, ingediend door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft - voorzover voor de beoordeling van de aanvraag van belang - de aanvrager ter zake van "diefstal" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
4.2. De aanvraag berust op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als evenvermeld. Daartoe wordt aangevoerd dat niet de aanvrager, maar een ander het bewezenverklaarde feit heeft begaan en dat deze bij zijn aanhouding tegenover de politie de personalia van de aanvrager heeft opgegeven. Ter staving van deze stelling is onder meer overgelegd een door de politie opgemaakt proces-verbaal nr. PL0763/00-217946. Dit proces-verbaal bevat een aangifte van de aanvrager ter zake van het valselijk gebruik van zijn persoonsgegevens en handtekening door een zekere [A].
4.3. Naar aanleiding van de aanvraag is op verzoek van de Advocaat-Generaal Machielse een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een schrijven van 13 september 2002 van K. Gerritsen, Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket te Amsterdam, inhoudende onder meer:
"In juni 2002 heb ik dhr. P. Heeren, politieparketsecretaris van district Amsterdam Noord, verzocht onderzoek te doen naar de vermeende persoonsverwisseling. Hij heeft daartoe telefonisch contact gehad met de raadsman van [aanvrager], mr. Jaasma, met het verzoek zijn cliënt op het politiebureau te laten komen ter daadwerkelijke vergelijking van de veroordeelde [aanvrager] en de (foto en vingerafdrukken van de) destijds aangehouden persoon. Vanaf die tijd (eind juni 2002) heeft dhr. Heeren herhaaldelijk - al dan niet met succes - bij mr. Jaasma geïnformeerd naar de stand van zaken, in ieder geval eind juli, begin augustus en half augustus 2002. Het lukte mr. Jaasma kennelijk niet om contact met zijn cliënt te krijgen. Op 22 augustus 2002 heeft dhr. Heeren zowel aan [aanvrager] als aan zijn raadsman een (aangetekende) brief verzonden met het dringende verzoek contact op te nemen. Hierop is geen reactie gekomen. Uit de gemeenschappelijke basisadministratie blijkt dat het adres waarnaar die brief is gezonden, het adres is waar [aanvrager] staat ingeschreven. Tot slot heeft dhr. Heeren op 9 september 2002 contact gehad met mr. Jaasma, hetgeen evenmin iets opleverde.
De conclusie van het bovenstaande moet zijn dat [aanvrager] voldoende gelegenheid heeft gehad de juistheid van zijn stellingen aan te tonen."
4.4. Gelet op de hiervoor onder 4.3 weergegeven resultaten van het te dezen ingestelde onderzoek, geeft de inhoud van de hiervoor onder 4.2 weergegeven aangifte onvoldoende steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Het aangevoerde kan derhalve niet worden aangemerkt als een omstandigheid die het onder 4.1 bedoelde ernstige vermoeden doet ontstaan. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv Pro worden afgewezen.
5. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 april 2003.