ECLI:NL:HR:2003:AF5430
Hoge Raad
- Herziening
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag tot herziening wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een definitief vonnis van de Politierechter te Amsterdam, waarbij de aanvrager was veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens diefstal. De aanvraag werd ingediend op grond van de stelling dat niet de aanvrager, maar een ander het bewezenverklaarde feit had gepleegd en dat deze persoon bij zijn aanhouding de personalia van de aanvrager had opgegeven.
Ter onderbouwing werd onder meer een proces-verbaal overgelegd waarin aangifte werd gedaan van valselijk gebruik van persoonsgegevens en handtekening door een derde. Naar aanleiding van de aanvraag werd een onderzoek ingesteld door het Openbaar Ministerie, waarbij onder meer pogingen werden gedaan om de aanvrager te laten verschijnen voor een vergelijking met de destijds aangehouden persoon.
De resultaten van het onderzoek toonden aan dat de aanvrager voldoende gelegenheid had gehad om zijn stellingen te onderbouwen, maar hieraan geen gevolg gaf. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om het ernstige vermoeden te wekken dat, indien deze bekend waren geweest tijdens het oorspronkelijke onderzoek, dit tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid.
Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen conform artikel 468 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 1 april 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende bewijs voor persoonsverwisseling.