ECLI:NL:HR:2003:AF6628

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37970
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof in naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens onvoldoende motivering oproeping

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 2 oktober 1997 tot en met 1 januari 1998. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het hof Arnhem, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

In cassatie klaagde belanghebbende onder meer dat hij nooit de oproeping voor de zitting van het hof had ontvangen. Het hof had in haar uitspraak vermeld dat de oproepingsbrief was ontvangen door een derde persoon bij een bedrijf, maar had niet gemotiveerd of deze oproeping als behoorlijk kon worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten motiveren of belanghebbende op juiste wijze was opgeroepen.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een hernieuwd onderzoek in volle omvang. De Hoge Raad kende tevens vergoeding toe van het griffierecht voor het cassatieberoep. Over de proceskosten voor het geding bij het hof zal het verwijzingshof beslissen.

Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem is vernietigd en de zaak is verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwd onderzoek.

Uitspraak

Nr. 37.970
21 maart 2003
RB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 december 2001, nr. 98/01577, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met het kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 2 oktober 1997 tot en met 1 januari 1998 ten bedrage van ƒ 394, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft bij verweerschrift zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
Belanghebbende klaagt in cassatie onder andere over het feit dat hij de oproeping voor de zitting van het Hof van 12 juni 2001 te Arnhem nimmer heeft ontvangen. In 's Hofs uitspraak is onder 2.3 vermeld dat blijkens de retourkaart de brief aan belanghebbende houdende de oproeping ter zitting te verschijnen in ontvangst is genomen door ene B, met als bedrijfsnaam C. Nu uit de uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat zulks is geschied op het adres van belanghebbende, had het Hof in zijn uitspraak uitdrukkelijk blijk moeten geven van zijn oordeel omtrent de vraag of belanghebbende behoorlijk was opgeroepen, en dat oordeel moeten motiveren, hetgeen het Hof niet heeft gedaan. 's Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht, wat het geding in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 72.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2003.