ECLI:NL:HR:2003:AF6630

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37971
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Gerechtshof Arnhem inzake naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 24 november 1996 tot en met 8 oktober 1997, inclusief een verhoging van 100 procent. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag en verhoging. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat het beroep ongegrond verklaarde.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad en klaagde onder meer dat hij nooit een oproeping voor de zitting van het Hof op 12 juni 2001 had ontvangen. Het Hof had in zijn uitspraak vermeld dat de oproeping was ontvangen door een derde persoon bij een bedrijf, maar had niet gemotiveerd of dit voldoende was voor een behoorlijke oproeping van belanghebbende zelf.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof had moeten motiveren of de oproeping aan belanghebbende rechtsgeldig was gedaan. Door dit na te laten kon de uitspraak niet in stand blijven. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een volledig hernieuwd onderzoek. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling in cassatie af, maar liet het aan het verwijzingshof over om te beslissen over vergoeding van kosten in het hofsgeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof Arnhem en verwijst de zaak voor hernieuwd onderzoek.

Uitspraak

Nr. 37.971
21 maart 2003
RB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 december 2001, nr. 99/01014, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met het kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 24 november 1996 tot en met 8 oktober 1997 ten bedrage van ƒ 992 aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100 percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. De naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft bij verweerschrift zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
Belanghebbende klaagt in cassatie onder andere over het feit dat hij de oproeping voor de zitting van het Hof van 12 juni 2001 te Arnhem nimmer heeft ontvangen. In 's Hofs uitspraak is onder 2.3 vermeld dat blijkens de retourkaart de brief aan belanghebbende houdende de oproeping ter zitting te verschijnen in ontvangst is genomen door ene B, met als bedrijfsnaam C. Nu uit de uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat zulks is geschied op het adres van belanghebbende, had het Hof in zijn uitspraak uitdrukkelijk blijk moeten geven van zijn oordeel omtrent de vraag of belanghebbende behoorlijk was opgeroepen, en dat oordeel moeten motiveren, hetgeen het Hof niet heeft gedaan. 's Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht, wat het geding in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 72.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2003.