ECLI:NL:HR:2003:AF7970

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38220
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Richtlijn 92/12/EEGArt. 20 AWRArt. 86a Wet op de accijnsArt. 52 Wet op de accijnsArt. 53 Wet op de accijns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag accijns op grond van onjuiste toepassing wetgeving

Belanghebbende, X S.A. uit Spanje, kreeg op 1 december 2000 een naheffingsaanslag opgelegd voor accijnzen op minerale oliën en brandstofbelasting ter waarde van €286.174. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad onderzocht de toepasselijkheid van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in combinatie met artikel 86a van de Wet op de accijns. Uit de wetsartikelen en richtlijn bleek dat de accijns niet op basis van artikel 20 AWR Pro kon worden nageheven in deze situatie, omdat de accijns niet was verschuldigd op grond van de artikelen 2 tot en met 2f van de Wet op de accijns, waarop de bepalingen van artikel 52, 53, 52a en 53a van toepassing zijn.

Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd en vernietigde zowel de uitspraak van het Hof als de naheffingsaanslag zelf. Tevens werd de zaak terugverwezen voor een nieuw onderzoek in volle omvang. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand aan belanghebbende.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 17 oktober 2003.

Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw onderzoek.

Uitspraak

Nr. 38.220
17 oktober 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X S.A. te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 maart 2002, nr. BK-01/00887, betreffende na te melden naheffingsaanslag.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is op 1 december 2000, onder kenmerk 00/229/1944, een naheffingsaanslag in de accijns van minerale oliën, de brandstofbelasting ongelode lichte olie en de voorraadheffing lichte olie opgelegd ten bedrage van in totaal ? 286.174, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 27 maart 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak voor een nieuw onderzoek in volle omvang.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de middelen en ambtshalve
3.1. De onderwerpelijke naheffingsaanslag verwijst voor zijn grondslag naar artikel 14 van Pro de richtlijn van de Raad van 25
februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, nr. 92/12/EEG (Publicatieblad EG 1992, nr. L 76) en artikel 86a van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) juncto artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR).
3.2. Ingevolge artikel 20, lid 1, van de AWR kan de inspecteur te weinig geheven belasting naheffen, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald.
Artikel 86a, lid 1, van de Wet bepaalt dat, wanneer met betrekking tot accijnsgoederen tijdens het intracommunautaire vervoer onder schorsing van de accijns via Nederland of met bestemming Nederland een onregelmatigheid of een overtreding in Nederland wordt begaan, de accijns is verschuldigd door de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die zekerheid heeft gesteld op grond van de wettelijke bepalingen van de lidstaat van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht. De Wet bevat echter geen bepaling aangaande het tijdstip waarop in dit geval de accijns wordt verschuldigd en evenmin een bepaling waarin wordt voorgeschreven dat de voornoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon de accijns op aangifte moet voldoen of afdragen.
Zowel artikel 52, dat inhoudt dat de accijns verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitslag, als artikel 53, lid 1, van de Wet, dat inhoudt dat de in een tijdvak verschuldigd geworden accijns op aangifte moet worden voldaan, ziet uitsluitend op door een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats wegens uitslag in een tijdvak - op de voet van artikel 2 van Pro de Wet - verschuldigd geworden belasting, met dien verstande dat deze artikelen vanaf 1 januari 1993 mede zien op de accijns die verschuldigd is door de verkoper of diens fiscaal vertegenwoordiger wegens zogeheten intracommunautaire verkopen op afstand (bedoeld in artikel 2e van de Wet). De artikelen 52a en 53a van de Wet betreffen andere gevallen waarin accijns verschuldigd wordt, te weten die bedoeld in de artikelen 2a, 2b, 2c, 2d, en 2f van de Wet. In de onderhavige zaak is de accijns niet verschuldigd geworden ingevolge het bepaalde in een van de artikelen 2 tot en met 2f van de Wet, zodat de artikelen 52, 52a, 53 en 53a van de Wet toepassing missen.
Op grond van het vorenoverwogene kan de in artikel 86a, lid 1, van de Wet bedoelde accijns niet op de voet van artikel 20 van Pro de AWR worden nageheven, zodat de onderwerpelijke naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.
Dit heeft tot gevolg dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De middelen behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 450 (€ 204,20), derhalve in totaal € 531,20,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter en de raadsheren, D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2003.