ECLI:NL:HR:2003:AF8670
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en vernietiging inbeslaggenomen drugs
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, waardoor strafvermindering op zijn plaats was. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk.
Daarnaast werd het verweer van de verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens vernietiging van inbeslaggenomen drugs en verpakkingen verworpen. Hoewel het openbaar ministerie onregelmatig had gehandeld door de vernietiging, was niet aannemelijk dat dit met grove veronachtzaming van belangen van de verdachte was gebeurd of dat het zijn recht op een eerlijke behandeling had geschaad. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat geen wettelijke verplichting bestaat om foto's te maken van inbeslaggenomen drugs en dat de vernietiging van de drugs na onderzoek met toepassing van artikel 117 Sv Pro geen onregelmatig handelen oplevert. De uitspraak werd gewezen door de vice-president Bleichrodt en raadsheren Balkema en van Schendel op 24 juni 2003.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.