ECLI:NL:HR:2003:AG2067

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01917/02 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet bodembeschermingArt. 13 Wet bodembeschermingArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijke overtreding Wet bodembescherming

De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor twee opzettelijke overtredingen van voorschriften uit de Wet bodembescherming, namelijk artikel 27 en Pro artikel 13. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de Economische Politierechter en legde een geldboete van tweeduizend gulden op, subsidiair 35 dagen hechtenis.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. Hij voerde onder meer aan dat het handelen in strijd met een aanwijzing van gedeputeerde staten niet als overtreding van een voorschrift in de zin van de Wet op de economische delicten kon worden aangemerkt. De Hoge Raad verwierp dit verweer op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Een tweede middel werd eveneens niet ontvankelijk verklaard omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve tot vernietiging over te gaan en verwerpt het cassatieberoep derhalve in zijn geheel.

Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 september 2003, waarbij vice-president Bleichrodt als voorzitter fungeerde, samen met raadsheren Balkema en van Dorst.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijke overtreding van de Wet bodembescherming blijft in stand.

Uitspraak

16 september 2003
Strafkamer
nr. 01917/02 E
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 12 oktober 2001, nummer 20/002649-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 juli 1999 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 27 van Pro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan" en 2. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair 35 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.H.J.M. Linssen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat het handelen in strijd met een aanwijzing van gedeputeerde staten als bedoeld in art. 27, tweede lid, Wet bodembescherming niet kan worden aangemerkt als overtreding van een voorschrift als bedoeld in art. 1a, aanhef en onder 2°, WED.
3.2. Het middel faalt op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 11.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 september 2003.