ECLI:NL:HR:2003:AG3022
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Toepassing en uitleg van art. 279 Sv bij procedure op tegenspraak en schorsing onderzoek
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad zich gebogen over de toepassing van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het kader van een procedure op tegenspraak waarbij het onderzoek ter terechtzitting was geschorst en vervolgens opnieuw aangevangen. De zaak betrof een hoger beroep waarin de verdachte niet bij de laatste terechtzitting aanwezig was, maar zijn raadsman wel. De vraag was of de raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging het woord ter verdediging mocht voeren.
De Hoge Raad stelt vast dat sinds de invoering van de Wet van 15 januari 1998, die artikel 279 Sv Pro introduceerde, een raadsman alleen namens een afwezige verdachte mag optreden indien hij daartoe uitdrukkelijk is gemachtigd. Dit geldt ook indien het onderzoek na schorsing opnieuw wordt aangevangen en ongeacht of de verdachte of raadsman op eerdere terechtzittingen aanwezig waren. Het Hof had terecht geen woord ter verdediging toegestaan aan de raadsman omdat geen machtiging was verklaard.
Verder bespreekt de Hoge Raad dat de procedure op tegenspraak ook blijft gelden bij schorsingen en dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in deze context worden beheerst door artikelen 408 en 432 Sv, waarbij de termijn van veertien dagen geldt indien een gemachtigde raadsman optreedt. Het beroep van de verdachte wordt verworpen omdat het middel faalt en geen reden bestaat tot ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de raadsman mocht zonder uitdrukkelijke machtiging het woord ter verdediging niet voeren.