Uitspraak
6 mei 2003.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2000, waarin de aanvrager is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van diefstal met geweld waarbij de dood is gevallen.
De Hoge Raad heeft het eerdere cassatieberoep verworpen en nu de aanvragen tot herziening beoordeeld. De aanvragen betwistten de juistheid van diverse beslissingen van het hof en herhaalden klachten die reeds eerder waren geuit, zonder nieuwe feiten of bewijsmiddelen aan te dragen.
Volgens artikel 457 lid 1 sub Pro 2 Sv kunnen alleen nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren, aanleiding geven tot herziening. De aangevoerde gronden voldeden hier niet aan.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvragen niet-ontvankelijk, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De beslissing werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 6 mei 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvragen tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden.