ECLI:NL:HR:2003:AI5706
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijstelling aandelen in BV bij vermogensbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vermogensbelasting opgelegd op een vermogen van ƒ 7.146.169. Bij bezwaar werd belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, waarna beroep bij het Hof volgde. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot ƒ 7.078.000.
In cassatie richt het geschil zich op de vraag of de vrijstelling van artikel 7, lid 2, in verbinding met lid 3, aanhef en letter c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 van toepassing is op de aandelen in de BV. Het Hof oordeelde dat de BV feitelijk vermogen belegt en derhalve niet onder de vrijstelling valt.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat het feitelijke waarderingen betreft die in cassatie niet kunnen worden getoetst. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslagvermindering door het Hof blijft gehandhaafd.