ECLI:NL:HR:2003:AK3451

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38549
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 3 Wet op de loonbelasting 1964Art. 1 lid 2 letter d Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over vrij vervoer politiemedewerker voor woon-werkverkeer

Belanghebbende, werkzaam bij de regiopolitie, maakte in 1999 gebruik van gratis busvervoer voor woon-werkverkeer op basis van een regeling tussen de regiopolitie en de busmaatschappij. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Gerechtshof Leeuwarden verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag.

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat niet aannemelijk was dat sprake was van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige. Het hof ging ervan uit dat de vrij vervoerregeling niet van toepassing was op het woon-werkverkeer van belanghebbende, een feitelijke beoordeling die in cassatie niet kan worden getoetst.

Verder verwierp de Hoge Raad het standpunt dat het gratis vervoer vanwege het politieambt automatisch zou betekenen dat het vervoer vanwege de inhoudingsplichtige was. Deze opvatting vindt geen steun in de Wet op de loonbelasting 1964, de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, noch in de wetsgeschiedenis.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees af dat proceskosten worden toegewezen. Tevens werd een griffierecht van € 348 opgelegd aan de Staat.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.549
12 september 2003
AF
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 augustus 2002, nr. BK 148/02, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.739, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.149. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende, die in 1999 woonde te S en werkzaam was bij de regiopolitie te Q, heeft in dat jaar voor zijn woon-werkverkeer gedurende ten minste vier dagen per week gebruik gemaakt van het openbaar vervoer per bus. Voor dat vervoer werd hem door de busmaatschappij geen kosten in rekening gebracht. Tussen de busmaatschappij en de regiopolitie bestond een afspraak dat de leden van de regiopolitie tijdens hun diensttijd gratis gebruik konden maken van het openbaar vervoer per bus.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige. Daarbij is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat de vrij vervoerregeling voor agenten van de regiopolitie in het onderhavige jaar niet van toepassing was op belanghebbendes woon/werkverkeer. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve in zoverre.
3.3. Voorzover het middel uitgaat van de opvatting dat de enkele omstandigheid dat het gratis vervoer voortvloeide uit de hoedanigheid van politiefunctionaris reeds met zich meebrengt dat sprake is van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, faalt het eveneens. Deze opvatting vindt geen steun in artikel 13, lid 3, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 1, lid 2, letter d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 noch in de wetsgeschiedenis dienaangaande. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.